Over meditatie.

 

Soms gebeurt het wonder zomaar.

Je zit op een bankje in de duinen, en zomaar ineens valt alles van je af. Al je zorgen, je angsten, je hoop en verlangens; het doet er niet meer toe. Je zit, je bent je bewust van de wind, de wolken, een vogel die voorbij vliegt, en dat is alles wat er is. Zo'n moment is een groot geschenk. Voor even ben je wie je bent.

Het kan ook zijn dat je voor een schilderij staat in een museumzaal. Je bekijkt stil en gefascineerd het werk van een oude meester, en plotseling voel je een alles omvattende ruimte in jezelf ontstaan. Een ruimte waarin je je verbonden voelt met al het zichtbare en onzichtbare. Je denkt niet meer, je beschouwt alleen nog, zonder oordeel, zonder doel. Je voelt je goddelijk.

Of je zit in de kerk. Het licht valt door gebrandschilderd glas naar binnen, het gewelf waarin je je bevindt dijt uit, de stilte wordt bijna tastbaar. En ineens voel je je wonderlijk sterk verbonden met de mensen om je heen, ervaar je een band met mensen over de hele wereld, met de generaties die je voorgingen en de generaties die na je zullen komen. Je bent onderdeel van een onmetelijk groot geheel.

Of je luistert naar muziek. De spanning in de harmonieën herinnert je aan de moeite en de stroefheid in je eigen bestaan. Het is een troost om te merken dat je niet de enige bent die het leven als een worsteling ervaart. En als je dan hoort hoe de wringende dissonanten zich oplossen, hoe het goed komt, kan het zomaar gebeuren dat je, zonder nog iets te hoeven denken, een diepe vrede ervaart.

Dergelijke ervaringen laten zich niet afdwingen, het zijn goddelijke geschenken. Wel kun je een houding ontwikkelen waarmee je meer ontvankelijk wordt voor het ervaren van die goddelijke vonk. Door je open te stellen, door stil te durven zijn. Door met regelmaat domweg te gaan zitten en zonder enige verwachting of oordeel te ervaren wat zich op dat moment, hier en nu, aan je voordoet. Dat kun je meditatie noemen, als je er perse een naam aan wilt geven.

Zoals er een kerk is waar je naar toe kunt gaan als je verbondenheid met het grote geheel zoekt, zo is er een stille plek in jezelf die je altijd en onder alle omstandigheden kunt binnengaan wanneer je wilt zijn wie je bent, wanneer je voeling zoekt met je goddelijke bron.

 

Anton Bruckner schreef in 1869 het vierstemmige koorwerk 'Locus Iste' voor de inwijding van een bidkapel in de kathedraal van Linz. Het motet zou net zo goed geschreven kunnen zijn om ons eraan te herinneren dat we een gewijde ruimte met ons meedragen waar we altijd weer in kunnen terugkeren.

Locus iste a Deo factus est,


a Deo factus est in aestimabile sacramentum,


irreprehensibilis est.

 

Deze plaats is door God gemaakt,


door God is hij gemaakt tot een hoog te schatten heiligdom,


hij is onberispelijk.

 

Teunis van der Zwart. 

(Tekst uitgesproken in de Laatdienst, Alkmaar, 3 februari 2013.) 

 

 

 

Instant Warming Up.

 

Tijdens lessen en masterclasses krijg ik regelmatig de vraag naar een effectieve warming up. Vermoedelijk verlangt de vragensteller een serie oefeningen omdat we op school geleerd hebben dat oefening kunst baart. De tafel van zeven, de hoofdsteden van Europa, die vreselijke Duitse naamvallen; we hebben ze allemaal met behulp van het opdreunen van rijtjes onder de knie gekregen. Of niet. Hoe dan ook: In onze ervaring leidt het hardop herhalen van feiten uiteindelijk tot succes.

Maar wat nou als muziek maken een heel natuurlijk samenspel is van een beperkt aantal lichaamsfactoren? Een vaardigheid die je spelenderwijs hebt geleerd en spelenderwijs kunt onderhouden? Ik denk dat het belang van warming up vaak sterk wordt overdreven. Welke onderdelen moeten er nu eigenlijk warm draaien voordat je de hoorn naar hartenlust kunt laten schallen?

 

De mondspieren, natuurlijk. Het helpt als die paraat zijn. Om ze in een actieve modus te krijgen is praten een accurate oefening; zoenen is nog beter. Stel je voor dat je net de partner van je leven hebt ontmoet en dat de kalverliefde in alle hevigheid is ontloken. Sluit je ogen, voel en proef in je fantasie die sensationele kussen en beantwoord ze met hartstochtelijke tuit- en strekoefeningen. Je kunt hem/haar wel opvreten, het smaakt voortdurend naar meer, dat soort werk. Je lippen zullen krullen van plezier.

 

Dan is het uiteraard handig als het ademhalingsapparaat op volle toeren draait wanneer je aan het serieuze blazen wilt beginnen.  Om de luchttoevoer op een prettige manier op gang te helpen gebruik ik meestal de geeuwzucht.

Stel je met al je zintuigen voor hoe zalig het zou zijn om nu in je warme bed te liggen en je nog eens om te draaien. Als vanzelf begint je lijf vol overgave te gapen. Tijdens de uitademing keer je terug naar de realiteit; je bed zal het nog heel wat uren zonder jou moeten stellen. Een diepe zucht is het gevolg. Deze oefening herhaal je een aantal keer totdat je voelt dat er van alles begint te tintelen in buik, borst en armen; een indicatie dat de warming up effectief is.

 

Mocht je op een dag tot de conclusie komen dat ook deze simpele rituelen nog teveel tijd kosten en je afhouden van het hoorn spelen zelf, dan raad ik je de volgende instant-oefening aan: De bulderlach.

Lachen activeert het hele lichaam, bevordert de doorbloeding en geeft een mentale oppepper van jewelste. Is goed te doen in de auto en op de fiets (wel op het verkeer blijven letten, anders wordt het huilen), en lukt met enige aanpassing ook wel in een volle trein. Valt er niets te lachen? Toch wel. Begin maar gewoon en binnen de kortste keren zul je het uitproesten om die gek die daar zomaar om niks zit te schateren.

Wel op tijd stoppen, anders dreigt er verkramping en dan moet je weer met ontspanningsoefeningen aan de slag.

 

Teunis van der Zwart

(Gepubliceerd in Uylenspieghel)

 

 

MOEILIJK

 

Laatst gebeurde het weer.

Een hoornist van een jaar of veertien sjokte het podium op. Hij droeg een T-shirt met een niet te ontcijferen kreet, en een vale spijkerbroek die laag genoeg hing om van enig modebewustzijn te getuigen. Aan stemmen deed hij niet. Hij zette het instrument aan zijn lippen en begon aan Villanelle. Hij blies goed, produceerde een prettig geluid, lekker brutaal.  

Het ging niet perfect, maar dat leek hem niet te deren. Het geheel klonk fris, alsof de inkt van de muziek nog nat was.

Commentaar van een oudere collega: 'Hij weet nog niet hoe moeilijk het is.'

Wat een intrigerende opmerking. Het klonk dreigend, een tikje jaloers ook. Alsof een ervaren leraar die beginneling nodig uit de droom moest helpen. Maar waarom?

Het kan toch niet zo zijn dat de hoge moeilijkheidsgraad van het koperblazen een diepere waarheid is waar alleen ingewijden weet van hebben? Ik kan de zin van zo'n inwijding niet ontdekken. Tenzij we elkaar gek willen maken natuurlijk.

 

Neem Tijl Uilenspiegel, niet voor niets de naamgever van ons lijfblad. Een beruchte hoornsolo. Maar waarom eigenlijk? Zijn die noten nou echt zo moeilijk? De Mount Everest van de hoornliteratuur? Volgens mij helemaal niet. Wat het lastig maakt is dat er zoveel beruchtheid aan kleeft. Bijna elke hoornist kent wel een verhaal over wat er ooit mis ging. De reputatie van de solo snelt de muziek vooruit. Er doemt een joekel van een horde op voor de  goed ingelichte hoornist die Tijl Uilenspiegel op zijn lessenaar zet.

 

De veertienjarige die nog zo lekker gemakkelijk speelt heeft geen last van een dergelijke psychologische barrière. Hij toetert in zalige onwetendheid. Hij is als een kind dat met vanzelfsprekend gemak een verhaaltje vertelt. Veel kinderen kunnen dat van nature heel goed en boeiend. Voor bijna allemaal wordt het ineens een stuk lastiger als je hetzelfde verhaaltje spreekbeurt noemt. Als de juf of meester er dan ook nog een cijfer voor uitdeelt is de boodschap compleet: Iets vertellen aan een groep is een uiterst gewichtige en gecompliceerde zaak geworden. En met muziek maken is het meestal niet anders.

 

Het zou mooi zijn als we bij het musiceren iets van dat begin, van toen we nog niet wisten hoe moeilijk het is, vast kunnen houden. Volgens mij kan dat, en het sleutelwoord is genieten. Wat een wonder dat je aan een metalen buis zulke mooie klanken kunt ontlokken. Wat een plezier om te mengen met de tonen van andere instrumenten, de sensatie wanneer alles in je meetrilt en -zoemt bij het blazen.

Als je echt luistert naar jouw klank, en contact maakt met de verschillende onderdelen van je lichaam die die klank mogelijk maken, dan ben je al een heel eind op de goede weg.

En heb je er nog geen idee van hoe moeilijk het is? Houden zo! Net zoals je leerde praten, leerde je ook hoorn spelen. Jij weet het beste hoe dat moet. Luister niet naar de oude mannen en vrouwen  die de mythe van de moeizame hoorn in stand willen houden.

De jongen of het meisje van veertien weet wel beter. 

 

Teunis van der Zwart

(gepubliceerd in Uylenspieghel)